Abstract

This article analyzes the postwar transformation of the Dutch Warmblood farm horse into a riding horse. It gives special attention to the farmers’ practical breeding methods and to the role that scientists and government policymakers played in the transformation process. Until the 1970s, Warmblood breeding methods were a continuation of pre-Mendelian methods that focused on qualitative assessment of a horse’s conformation, that is, its exterior characteristics. In 1980, the Dutch government undertook an effort to modernize Warmblood breeding by turning it into a collectively organized, scientific enterprise. These plans were largely subverted by the fierce opposition of breeders. Nevertheless, quantitative scientific methods, particularly quantitative genetics, started to make inroads into Warmblood breeding at the time. However, the breeders’ decision to switch to quantitative methods was a reaction to other pressures, economic and otherwise, rather than a response to the government’s call for science-based modernization. Moreover, qualitative assessment remained as important in the selection of breeding stock as before.

The text of this article is only available as a PDF.

Notes

1. Between 1940 and 1951, for instance, the number of tractors in Dutch agriculture grew from four thousand to twenty thousand. See J. C. Gehrels,
Paard en trekker in het gemechaniseerde landbouwbedrijf
(
Groningen
:
1951
); P. R. Priester,
“Paarden en trekkers,”
in
Techniek in Nederland in de twintigste eeuw
, Vol.
3
,
Landbouw, voeding
, eds. J. W. Schot et al. (
Zutphen
:
Stichting Historie der Techniek
,
2000
),
73
81
.
2. In recent years, the society ranked in the top two (dressage) and the top four (jumping) in the studbook rankings of the World Breeding Federation for Sport Horses; see http://www.wbfsh.org/GB.aspx (Accessed Mar. 23, 2017.
3. To give just a few examples: Roger J. Wood, and Vítězslav Orel,
Genetic Prehistory in Selective Breeding: A Prelude to Mendel
(
Oxford
:
Oxford University Press
,
2001
); Margaret E. Derry,
Art and Science in Breeding: Creating Better Chickens
(
Toronto
:
University of Toronto Press
,
2012
); Margaret E. Derry,
Masterminding Nature: The Breeding of Animals 1750–2010
(
Toronto
:
University of Toronto Press
,
2015
).
4. For a history of Dutch horse racing, see D. Minkema, Koos Jager, and Douwe Frerichs,
Dravend door de tijd: Geschiedenis van de Nederlandse draverfokkerij
(
Den Haag
:
1996
). For a history of the rural riders’ associations, see Jacob Melissen, Yana van Tienen, and John Brandsen,
Kroon op het werk: 75 jaar KNF, 1926–2001
(
Houten
:
Premium Press
,
2001
). There are two main reasons for the marginality of racing in the Netherlands. Traditionally, racing was “the sport of kings,” that is of the nobility. In Dutch history, the nobility played a far less significant and visible role than in other European countries, and racing never gained wide popularity. Secondly, between the early twentieth century and the early 1940s the confessional political parties that dominated Dutch politics prohibited racing on Sundays, as well as betting and bookmaking, which resulted in a further decline of the sport. A later attempt to revitalize racing will be discussed below.
5. In 1918 the government transferred the authority to inspect stallions for stud-worthiness to the breeding societies; see J. H. W. Verzijl,
Wet van den 18 den Juni 1918, S. 419, houdende bepalingen betreffende de Staatszorg voor de paardenfokkerij
(
Zwolle
:
1918
).
6. For histories of the Dutch Warmblood, see A. van Leeuwen,
Geschiedenis der paardenfokkerij in Nederland
(
Maastricht
:
Leiter-Nypels
,
1922
); Wouter Slob,
Het Nederlandse paard: De geschiedenis van de Nederlandse warmbloedfokkerij tot 1950
(
Doetinchem
:
Misset
,
1995
).
7. Slob,
Het Nederlandse paard
,
66
73
,
92
93
,
98
99
.
8. For examples of the perpetual debate on the importance of conformation versus performance, see Slob,
Het Nederlandse paard
,
85
87
; A. Heuff,
De landelijke ruitersport
(
Doetinchem
:
Misset
,
1968
)
49
50
.
9. Slob,
Het Nederlandse paard
,
78
87
.
10. B. J. B. Groeneveld,
“Een analyse van de werkpaardenstapel,”
In de Strengen
(hereafter abbreviated as IdS) 20 (Dec. 1,
1958
):
6
10
. By 1968, the number had dropped to 66,400; see A. Heuff,
“Aantallen paarden,”
IdS
30
(Sept. 1,
1968
):
13
.
11. For discussions on the new breeding goal, see for instance G. A. R. Nieuhoff,
“Ingezonden,”
IdS
22
(May 1,
1960
):
4
5
; J. A. Crebas,
“Overpeinzingen over het paard op onze landbouwbedrijven,”
IdS
23
(Feb. 1,
1961
):
4
; B. Seldenrijk,
“Quo vadis V.N.L.-fokkerij, waarheen gaat gij?,”
IdS
23
(Oct. 1,
1961
):
2
3
.
12. Nieuhoff,
“Ingezonden,”
4
5
.
13. A. J. Vermond,
“V.L.N. 1967. Ontwikkeling van de fokkerij en aanpassing van de fokleiding,”
IdS
29
(June 15,
1967
):
3
. The tuigpaard type is unique to the Netherlands.
14.
Ibid.
15. Slob,
Het Nederlandse paard
,
52
55
.
16. For a history of early Thoroughbred breeding, see Nicholas Russell,
Like Engend’ring Like: Heredity and Animal Breeding in Early Modern England
(
Cambridge
:
Cambridge University Press
,
1986
),
60
65
,
85
86
,
98
,
218
22
. The German Hannoverian, Holstein, and Trakehner, are examples of Warmbloods that have been crossed with Thoroughbreds and Arabians since at least the nineteenth century; see Bonnie N. Hendricks,
International Encyclopedia of Horse Breeds
(
Norman
:
University of Oklahoma Press
,
1995
),
213
14
,
224
27
,
421
23
.
17.
“Agenda der Algemene Ledenvergadering, te houden op 30 januari 1962,”
IdS
23
(Dec. 15,
1961
):
2
3
.
18. See, for instance, J. Roodenburg,
“V.L.N. fokkerij met meer bloed,”
IdS
23
(Nov. 1,
1961
):
5
; C. P. W.,
“Afdeling Zuiderzeeland,”
IdS
24
(Feb. 15,
1962
):
4
7
.
19. W. Slob,
“De fokkerij in Frankrijk,”
IdS
43
(June 3,
1976
):
1
; H. Kingmans,
“Amor: bouwmeester die zijn tijd vooruit was,”
IdS
46
(Nov. 15,
1979
):
15
21
.
20. H. Kingmans,
“Directe rol van Volbloed nog zeer sterk in nieuwe jaargang,”
IdS
44
(Jan. 13,
1977
):
4
6
. For an overview of the different breeding options, see Vermond,
“V.L.N. 1967. Ontwikkeling van de fokkerij en aanpassing van de fokleiding,”
3
.
21. See, for instance, W. Slob,
“Utrecht 1962,”
IdS
24
(Sept. 15,
1962
):
2
8
.
22. H. Kingmans,
“Van Binsbergen (met bolhoed geboren),”
IdS
41
(May 10,
1974
):
10
11
.
23.
“Nederlandse halfbloedfokkerij bereikt de internationale rijpaardenmarkt,”
IdS
30
(Oct. 1,
1968
):
1
; A. Heuff,
“Utrechtse hengstenshow een manifestatie van internationale allure,”
IdS
36
(Feb. 19,
1971
):
2
7
.
24. For a short explanation of Mendelian genetics, see https://www.khanacademy.org/science/biology/classical-genetics/mendelian–genetics/a/the-law-of-segregation (Accessed Oct. 27,
2017
).
25. H. Kingmans,
“De baas van Henri, de rappe draver. Pieter Abel Meinardi: veelzijdig fenomeen,”
IdS
42
(Jan. 2,
1975
):
17
21
.
26. There was an extensive discussion on these matters in In de Strengen that continued for over a decade. See, for instance, G. M. van Charante-Terlingen,
“Ingezonden,”
IdS
25
(Jan. 1,
1963
):
3
4
; A. J. Vermond,
“V.L.N. 1967. Ontwikkeling van de fokkerij en aanpassing van de fokleiding,”
3
; P. van Schaik,
“Beschouwing over de hedendaagse fokrichting en over toe te passen fokmethoden,”
IdS
30
(Apr. 1,
1968
):
1
2
; P. van Schaik,
“De volbloed in de rijpaardfokkerij,”
IdS
(Apr. 2,
1971
):
1
2
; P. van Schaik,
“Over het fokdoel,”
IdS
41
(Mar. 29,
1974
):
11
12
.
27. A. M. H. Sänger,
“Ervaringen in de volbloedfokkerij en de relatie met de WPN-fokkerij,”
IdS
49
(Jan. 14,
1982
):
17
21
.
28. A. J. Vermond,
“V.L.N. fokkerij,”
IdS
30
(May 1,
1968
):
1
2
.
29.
“Wetenschap en praktijk op de Uithof,”
IdS
30
(Oct. 1,
1968
):
3
5
.
30. J. F. Eysink,
“Publieke tribune,”
IdS
33
(Apr. 30,
1971
):
10
11
.
31. In 1978 there was only a single Groninger stallion left, and some one hundred mares. In 1982 a group of fanciers established a separate society to maintain what was left of the original type; H. Bouman,
“Nog is het Groninger paard niet verloren,”
De Boerderij
67 (Apr. 7,
1982
):
60
63
.
32. See for instance G. A. R. Nieuhoff,
“Betreurenswaardig,”
IdS
30
(Oct. 15,
1968
):
4
; A. Heuff,
“De Gelderse fokmerriën in Bennekom,”
IdS
41
(Nov. 7,
1974
):
1
8
; A. J. Vermond,
“Het basispaard,”
IdS
43
(Feb. 26,
1976
):
3
4
.
33. H. Kingmans,
“Liefhebbers basispaard vragen aandacht voor hun wensen,”
IdS
46
(Dec. 13,
1979
):
70
.
34. For the discussions on this topic, see N. M. Strik,
“V.L.N.-ers, let op uw saeck!,”
IdS
31
(Feb. 21,
1969
):
11
; P. van Schaik,
“Fokrichting en fokkeuze,”
IdS
32
(Apr. 3,
1970
):
1
2
;
WPN-discussiegroep
,
“Hoeveel bloed?,”
IdS
39
(July 21,
1972
):
3
4
.
35. W. Slob,
“Welke waarde heeft het exterieur?,”
IdS
40
(Dec. 7,
1973
):
4
; H. Kingmans,
“Kan een springpaardfokkerij toch bestaan?,”
IdS
41
(Dec. 5,
1974
):
1
7
.
36. H. Kingmans,
“De opvallende prestaties van Doruto’s kinderen in de dressuurbaan (2),”
IdS
43
(Dec. 2,
1976
):
3
9
.
37. A. M. H. Sänger,
“Ervaringen in de volbloedfokkerij en de relatie met de WPN-fokkerij,”
IdS
48
(Nov. 19,
1981
):
17
20
.
38.
“Op-en uitbouw van de WPN-fokkerij. Fokleiding ziet om en kijkt vooruit,”
IdS
48
(Dec. 17,
1981
):
9
15
; H. Kingmans,
“Woorden ten afscheid van P.B. van Binsbergen,”
IdS
49
(Oct. 21,
1982
):
3
9
.
39. H. Kingmans,
“De tijd van de buffels is voorbij,”
IdS
52
(May 9,
1985
):
30
34
.
40. H. Kingmans,
“De fokkerij onderweg (1),”
IdS
44
(June 2,
1977
):
3
7
.
41. J. Grijpstra,
Paardenhouderij: paardenfokkerij en paardensport: Discussienota Ministerie van Landbouw en Visserij, Directie Veehouderij en Zuivel
(
The Hague
:
1977
).
42. Slob,
Het Nederlandse paard
,
112
15
.
43.
IdS
45
(July 13,
1978
):
12
; H. Kingmans,
“Paardenwereld in beroering om brief minister,”
IdS
53
(Dec. 4,
1986
):
58
60
.
44. Johan van Geffen and Ina. Vink,
De winnaar heeft altijd gelijk: Het effect van ingrijpen in de paardenhouderij
(
Lelystad
:
Informatie en Kennis Centrum Landbouw
,
1995
),
16
17
.
45. E. F. Geessink and H. Kingmans,
“Behoefte aan en levensvatbaarheid van fokkerijcentrum moet uit studie blijken,”
IdS
45
(Feb. 9,
1978
):
3
6
.
46. On van der Stee, see http://www.parlement.com/id/vg09llg9q6zs/a_p_j_m_m_fons_van_der_stee (Accessed Mar. 22,
2017
).
47. For a history of these developments, see Bert Theunissen,
“Breeding for Nobility or for Production? Cultures of Dairy Cattle Breeding in The Netherlands 1945–1995,”
Isis
103
, no.
2
(
2012
):
278
309
.
48. M. P. M Vos,
“Paardenhouderij, een volwaardige bedrijfstak? Aandacht van de overheid,”
IdS
45
(Apr. 6,
1978
):
16
18
; M. P. M. Vos,
“Waarom gaat het Ministerie van Landbouw zich plotseling bemoeien met de paardenfokkerij?,”
IdS
46
(Apr. 7,
1979
):
30
33
;
“Goede sfeer op algemene ledenvergadering,”
IdS
46
(May 3,
1979
):
12
13
.
49.
“Hengstenhouders bijeen,”
IdS
47
(Mar. 20,
1980
):
36
.
50. On Melchior, see http://www.horses.nl/sport/springen-sport/springen-algemeen/leonmelchior-overleden/ (Accessed Mar. 22,
2017
). Zangersheide was located in Lanaken, just across the Dutch-Belgian southernmost border.
51. Melchior’s breeding method was explained in the brochure,
‘Zangersheide’: fokkerij, de bron van alle paardensport
(
Lanaken
1979
).
52.
IdS
51
(Feb. 23,
1984
):
5
.
53. The plans were first announced in In de Strengen in October 1978:
“Ministerie actief: Stichting Paardencentrum opgericht,”
IdS
45
(Oct. 19,
1978
):
30
. Further details were provided in
“Paardencentrum krijgt vooral demonstratiefunctie,”
IdS
45
(Nov. 22,
1978
):
21
.
54.
“Beleidsnota paardenhouderij op komst. Minister van de Stee: essentie van het initiatief doorzetten,”
IdS
46
(Mar. 22,
1979
):
28
.
55. H. Kingmans,
“Peiling op ledenvergaderingen. Het WPN in gesprek,”
IdS
47
(Feb. 7,
1980
):
9
12
;
“Een gesprek tussen het Ministerie van Landbouw en Visserij, het WPN en “Zangersheide”, gehouden op 16 januari 1980. Samenvattend verslag,”
IdS
47
(Feb. 7,
1980
):
29
30
; G. J. W. van der Mey,
“WPN-jaarrede: In het verleden ligt het heden, in het nu wat worden zal,”
IdS
47
(Apr. 17,
1980
):
19
23
.
56. Van der Stee explicated his plans in a policy document: Kamerstuk Tweede Kamer 1979–1980, kamerstuknummer 16027, ondernummer 2, Paarden in Nederland, http://resolver.kb.nl/resolve?urn=sgd%3Ampeg21%3A19791980%3A0006962 (Accessed Mar. 22,
2017
).
57.
“Jaarrede NHS-voorzitter: Minister moet niet buiten organisaties om gaan werken,”
IdS
46
(Mar. 8,
1979
):
11
;
“Paarden in Nederland” en de Nederlandse paardenhouderij: Een gezamenlijke reactie van het Landbouwschap, de Stichting Nederlandse Draf- en Rensport, de Stichting Nederlandsche Hippische Sportbond [en] de Stichting Nederlandse Hippische opleidingen op de ministeriële nota “Paarden in Nederland”
(
The Hague
:
1980
),
6
.
58. For the ministerial note, see note 56. For the discussions in parliament, see Kamerstuk Tweede Kamer
1979–1980
, kamerstuknummer 16027, ondernummer 5, Paarden in Nederland, http://www.statengeneraaldigitaal.nl (Accessed Mar. 22,
2017
).
59. H. Kingmans,
“Ook in Nota Paardenhouderij: minister blijft vaag over Limburgse plannen,”
IdS
47
(Feb. 7,
1980
):
17
18
;
“Ontwikkelingen baren grote zorgen. Afdelingen reageren op discussiepunten,”
IdS
47
(Feb. 21,
1980
):
15
16
.
60. Hans van der Kolk,
“Oorlog in paardenwereld,”
De Telegraaf
, Feb. 23, 1980, 5.
61.
“Open brief aan minister Ir. G.J.M. Braks,”
IdS
47
(Mar. 6,
1980
):
32
; J. Hayen a.o.,
“Ernstige kritiek op plannen in Limburg,”
IdS
47
(Mar. 6,
1980
):
43
44
.
62.
“Paardenstamboek vreest Melchior,”
Nieuwsblad van het Noorden
, Feb. 28, 1980,
23
.
63.
“Voorstel van dagelijks bestuur: geen ontheffing voor Raimond en Ramiro,”
IdS
47
(Feb. 21,
1980
):
11
.
64. H. Kingmans,
“Minister wil snel beslissen over paardencentrum en het spel buiten de baan,”
Appendix to
IdS
47
(June 26,
1980
).
65.
“Het Binnenhof en de Nederlandse paardenwereld,”
Extra edition of
IdS
47
(July 3,
1980
):
6
.
66. For Braks, see http://www.parlement.com/id/vg09llhykoyz/g_j_m_gerrit_braks (Accessed Mar. 22,
2017
).
67.
“Tendens naar concentratie van hengstenhouderijen. Minister kiest voor drietal paardencentra,”
IdS
47
(Sept. 4,
1980
):
21
23
. For the discussions about these new plans in parliament, see Tweede Kamer der Staten Generaal, Zitting 1980–1981, Aanhangsel van de Handelingen, Vragen gesteld door leden van de Kamer, met de daarop door de Regering gegeven antwoorden, nr 771, http://www.statengeneraaldigitaal.nl (Accessed Mar. 23,
2017
).
68. H. Kingmans,
“Limburgse plannen krijgen vorm in Merkelbeek. ‘De Bovenste Hof’: proefbedrijf in dienst van kleinschaligheid,”
IdS
49
(May 6,
1982
):
3
9
; H. Bouwman,
“Paardenplan blijkt geen banenplan,”
De Boerderij
67
(Aug. 18,
1982
):
40
43
.
69. For the ministerial reasons for this decision, see Tweede Kamer der Staten Generaal, Zitting 1982–1983, Aanhangsel van de Handelingen, Vragen gesteld door leden van de Kamer, met de daarop door de Regering gegeven antwoorden, nr 561, http://www.statengeneraaldigitaal.nl (Accessed Mar. 23,
2017
).
70. D. Minkema,
Draf- en renbanen in Nederland
(
Zeist
:
2004
).
71. H. Bouwman,
“Paardenplan blijkt geen banenplan,”
De Boerderij
67
(Aug. 18,
1982
):
40
43
. For Ramiro, click on “Ramiro” at https://www.kwpn.nl/over-kwpn/lidmaatschap/artikelenarchief/kwpn-goedgekeurde–en-erkende-hengsten (Accessed Nov. 13,
2017
).
72.
“Discussie rond het centraal onderzoek van rijpaardhengsten II,”
IdS
40
(Sept. 13,
1973
):
6
;
“Verrichtingsonderzoek rijpaardhengsten Uddel 1978”
Extra edition
IdS
45
(June 22,
1978
); G. van der Veen,
“Hengstenselectiesysteem opnieuw op een rijtje gezet,”
IdS
51
(Jan. 26,
1984
):
20
24
.
73. H. Kingmans,
“Hoe doen de kinderen van WPN-hengsten het in de ruitersport?”
IdS
45
(May 4,
1978
):
3
7
; H. Kingmans,
“Gerangschikte sportgegevens uiterst waardevol voor de fokkerij; de Duitsers beschikken erover. Wanneer wij?”
IdS
45
(July 27,
1978
):
3
5
.
74. H. Kingmans,
“Zonvolle confrontatie fokkerijbeleid en -techniek,”
IdS
46
(July 12,
1979
):
3
9
.
75.
“Historisch besluit: WPN op NHS-computer,”
IdS
46
(June 28,
1979
):
10
;
“Samenwerking fokkerij en gebruik. Mijlpaal: minister stelt computer in gebruik,”
IdS
47
(Dec. 18,
1980
):
26
27
; H. Kingmans,
“NHS-jaarboek: schitterende start van koppeling sport- en fokkerij-gegevens,”
IdS
50
(June 2,
1983
):
3
6
.
76. H. A. Huizinga,
“Hengstenindex: hulpmiddel om de koers uit te zetten. Sportgegevens van nafok objectief op een rijtje,”
IdS
54
(Apr. 9,
1987
):
4
8
.
77. G. J. W. van der Mey,
“Bezinning. Jaarrede WPN voorzitter 22 Apr. 1981,”
IdS
48
(Apr. 23,
1981
):
10
15
.
78. H. Kingmans,
“Export sportpaarden neemt toe,”
IdS
47
(Apr. 3,
1980
):
3
6
; H. Kingmans,
“Een jaar omzien. Conclusie: het WPN-paard leeft als nooit tevoren,”
IdS
49
(Dec. 16,
1982
):
62
65
.
79.
“Hoofdbestuur kiest formeel voor prestatie,”
IdS
47
(June 12,
1980
):
14
; H. Kingmans,
“Hoofdbestuur stelt tweede selectiesysteem voor hengsten vast,”
IdS
47
(June 26,
1980
):
17
21
.
80. Noortje Schmeink,
“De gedachten van twee hengstenopfokkers,”
IdS
48
(Feb. 26,
1981
):
3
8
.
81. For a history of the use of AI in horses in the Netherlands, see Reimer Strikwerda,
Revolutie in het dierenrijk: De geschiedenis van de kunstmatige inseminatie in Nederland
(
Doetinchem
:
Reed Business
,
2007
),
220
39
.
82. For some examples of the ongoing discussions about AI in Thoroughbred breeding, see “Live Cover vs. Artificial Insemination in Thoroughbred Breeding—Why the Jockey Club has is Right,”
Bloodhorse
, May 6, 2009, http://cs.bloodhorse.com/blogs/scot/archive/2009/05/06/live-cover-vs-artificial-insemination-in-thoroughbred-breeding-why-the-jockey-club-has-it-right.aspx; and “The Question of AI Use in the TB Industry,” http://equine-reproduction.com/articles/Thoroughbred-AI.shtml (Accessed Mar. 23,
2017
).
83. Strikwerda,
Revolutie
,
229
30
;
IdS
46
(Nov. 15,
1979
):
68
.
84.
“Toepassing K.I. bij paarden zal nog niet storm lopen,”
IdS
49
(Apr. 22,
1982
):
3
8
.
85. H. Kingmans,
“Fenomeen spermawinstations uit de startblokken; die in Lexmond ten doop gehouden,”
IdS
52
(Mar. 28,
1985
):
15
18
; Strikwerda,
Revolutie
,
228
31
.
86.
“Geval van CEM in ons land vastgesteld,”
IdS
54
(July 30,
1987
):
26
27
.
“Hengstenén merriehouders moeten eendrachtig CEM onder de duim zien te houden,”
IdS
54
(Dec. 17,
1987
):
78
79
.
87. Strikwerda,
Revolutie
,
228
33
.
88. W. F. Gerhardt,
“Exterieur en prestatie, een noodzakelijk weerwoord,”
IdS
44
(Jan. 27,
1977
); H. Kingmans,
“De fokkerij onderweg (2),”
IdS
44
(June 16,
1977
):
3
8
.
89. Over the years, the WPN—since 1988 the Royal Dutch Warmblood Society, KWPN—has sharpened its focus on sport horses. The breeding goal is now to produce horses that can perform at Grand Prix level in dressage or jumping; see Inez Kampman et al.,
The KWPN Horse: Selection for Performance
(
Eindhoven
:
KWPN
,
2012
),
10
11
.
90.
Ibid
. Science would also become more important in other ways, such as screening for diseases and hereditary defects; see https://www.kwpn.nl/over-kwpn/diensten (Accessed Nov. 13,
2017
).
91.
“Op-en uitbouw van de WPN-fokkerij. Fokleiding ziet om en kijkt vooruit,”
IdS
48
(Dec. 17,
1981
):
9
15
; H. Kingmans,
“De volbloedhengst kan niet worden gemist,”
IdS
51
(Mar. 22,
1984
):
19
22
.
92. For a review of recent work in this area, see Jonathan Harwood,
“Did Mendelism Transform Plant Breeding? Genetic Theory and Breeding Practice 1900–1945,”
in
New Perspectives on the History of Life Sciences and Agriculture
, eds. Denise Phillips and Sharon Kingsland (
Springer
,
2015
),
345
70
.
93. See for instance Margaret E. Derry,
Bred for Perfection: Shorthorn Cattle, Collies, and Arabian Horses Since 1800
(
Baltimore
:
Johns Hopkins University Press
,
2003
),
48
102
.
94. For Bakewell’s breeding system, see Russell,
Like Engend’ring Like
,
196
215
.
95. Harro Maat,
Science Cultivating Practice: A History of Agricultural Science in The Netherlands and its Colonies, 1863–1986
(
Dordrecht
:
Springer
,
2001
),
7
9
.
96. Abigail Woods,
“Rethinking the History of Modern Agriculture: British Pig Production, c. 1910–65,”
Twentieth Century British History
23
(June,
2012
):
165
91
.
97. J. Melissen,
“Bij het afscheid van dr.ir. M.P.M. Vos,”
IdS
50
(May 19,
1983
):
3
5
.
98. Theunissen,
“Breeding for Nobility or for Production?,”
292
98
.
99.
Ibid.
,
285
86
.
100. J. D. van der Ploeg,
De virtuele boer
(
Assen
:
van Gorcum
,
2000
),
260
65
.